






























Stoffen brengen elk idee tot leven en nodigen uit om meteen vol creativiteit aan de slag te gaan. Wij hebben een groot assortiment met wel meer dan 40 soorten kwaliteitsstoffen. Hierdoor vind je bij ons voor elk project het juiste materiaal.
Een stukje basisinformatie over de diverse stoffen.
De kenmerken van een stof worden door de volgende factoren bepaald.
Het type weefsel, breisel of non-woven.
De grondstof van de gebruikte garens.
Het type garen: of het dik is of dun, en of het garen strak getwijnd is of juist losjes.
Eventuele nabewerkingen.
Het type weefsel of breisel
Stoffen die geweven zijn, zijn in de regel niet rekbaar. Een uitzondering hierop is als er in het weefsel ook elastiek als grondstof is verwerkt. Voorbeelden van elastische grondstoffen zijn spandex of elastaan.
Bekende voorbeelden van verschillende weefsels zijn.
Platbinding is de meest eenvoudige vorm van weven waarbij één draadje op en neer is geweven. Katoenen poplin, quiltkatoen en organza zijn voorbeelden van stoffen in platbinding.
Keperbinding. Dit weefsel kenmerkt zich door heel subtiele schuine lijntjes in de stof. Deze lijntjes worden 'keper' genoemd. Gabardine, keperkatoen en veel spijkerstoffen zijn gemaakt in deze binding. Een dergelijke binding wordt ook gebruikt in keperband, dat eveneens deze schuine lijntjes heeft. Dit weefsel zorgt voor een sterkere en wat stevigere stof omdat de structuur compacter is.
Satijnbinding. Dit weefsel verloopt in een specifiek patroon dat ervoor zorgt dat er een mooie glans over de stof ontstaat.
Dubbelweefsel. Dit is een weefsel van twee heel los geweven stoffen. Maar deze zijn tijdens het weven her en der aan elkaar verbonden. Hiervoor wordt ook wel de term 'double gauze' gebruikt. Hydrofiel katoen is een voorbeeld van een stof in een dergelijk weefsel.
Bekende voorbeelden van verschillende breisels.
Tricotsteek. Dit is een breisel waarbij de voorkant glad is. Als je met een vergrootglas kijkt, zie je hele kleine v-tjes zoals bij handbreiwerk. Maar de achterkant een subtiel golfje heeft. In de praktijk is tricot een verzamelnaam voor alle dunne gebreide stoffen van allerlei grondstoffen.
Ribtricot dit is een breisel waarbij rechtse en averechtse steken elkaar afwisselen. Kenmerk hiervan is dat de stof verticale streepjes heeft, waardoor het breisel nóg wat elastischer wordt.
Interlock tricot: dit is een vorm van tricot waarbij de voor- en achterkant er hetzelfde uitzien.
Terry: dit is een breisel met kleine lusjes, vaak maar aan één kant. Een klassiek voorbeeld hiervan is joggingstof en French terry.
Jacquard: dit is een soort dubbelbreisel waarbij beide kanten elkaars spiegelbeeld zijn.
Non-woven: materiaal dat niet geweven is. Vilt en veel soorten vlieseline zijn non-wovens.
Verschillende grondstoffen en hun eigenschappen.
De grondstof waarvan het garen is gemaakt, bepaalt voor een groot deel de eigenschappen van de stof. Je hebt de volgende hoofdgroepen.
Natuurlijke (plantaardige of dierlijke) grondstoffen zoals katoen, linnen, wol en zijde. Deze grondstoffen dragen het meest comfortabel omdat ze puur natuur zijn.
Geregenereerde grondstoffen zoals viscose en bamboe. Dit zijn natuurlijke basisgrondstoffen die een industriële bewerking ondergaan om er garen van te maken. Ze worden gemaakt door een papje te maken van plantenstengels waaruit garen wordt getrokken. Deze materialen behouden een groot deel van de eigenschappen van natuurlijke stoffen.
Synthetische grondstoffen zoals polyester en nylon. Deze materialen worden gemaakt uit aardolie. Dit maakt de stof extra sterk, maar soms ook wat warmer of minder ademend.
Het type garen.
De dikte van het garen bepaalt de structuur van de stof. Daarnaast maakt het verschil of het garen heel sterk getwijnd (gedraaid) is of juist losjes. Een voorbeeld van een sterk getwijnd garen is crêpe of chiffon. De structuur van deze stof voelt daardoor wat korreliger aan. En deze stoffen vallen vaak soepeler dan stoffen van minder strak getwijnd garen.
Eventuele nabewerkingen.
Vaak krijgen stoffen nog een nabehandeling.
Schuren: om het weefsel of breisel op te ruwen (zoals bij flanel, sweatstof, suedine en fleece).
Scheren: om fluweel te creëren door een hoogpolige terry te scheren.
Coaten: waarbij er een laagje over de stof wordt gespoten, wat gebeurt bij imitatieleer, lamé en waterdichte stoffen.
Borduren, laseren of etsen. Dit zie je vaak bij kantachtige stoffen, broderie of paillettenstoffen. Bij het laseren worden soms delen van de stof weggenomen voor een sierlijk effect.
De komende tijd zal ik bij de verschillende stofsoorten nog meer uitleggen over hoe de stof is samengesteld. En wat daardoor de specifieke kenmerken zijn.
